Geschiedenis

Osteopathie is een manuele therapie die functiestoornissen in de mobiliteit van gewrichten en weefsels behandeld. De osteopathie kent haar oorsprong  aan het einde van de 19de eeuw, dit te danken aan Andrew Taylor Still, (°1828 Virginia, † 1917 Kirksville) een Amerikaans veldchirurg tijdens de secessieoorlog (1861-1864). Hij voerde talloze dissecties uit op lijken en kwam tot de conclusie dat veel ziektes voortkwamen uit een belemmering van een goede circulatie.

John Martin Littlejohn (1865-1947) was de man die osteopathie naar Europa bracht. Een man met brede interesses, hij studeerde aanvankelijk rechten, oosterse filosofie, theologie, maar later ook anatomie en fysiologie aan de universiteit van Glasgow. Zijn slechte gezondheid zette hem er in 1892 toe aan om op behandeling te gaan bij A. Taylor Still. Hij merkte dat zijn gezondheid na enkele sessies in grote mate toenam en raakte gefascineerd door wat Andrew “osteopathie” had genoemd. Uiteindelijk vloeien hier twee opleidingscentra uit voort:  het College voor Osteopathie in Chicago (°1900) en de Britisch School of Osteopathy (°1917).

In 1993 met de ondertekening van de “Osteopaths Act”, werd de osteopathie als afzonderlijk beroep geregulariseerd. In Engeland zijn de osteopatische colleges reeds verbonden aan de officiële structuren van het hoger onderwijs.